
Onze laatste liverecensie.
Onze laatste albumrecensie.
Ons laatste interview.
Onze laatste video.
Donderdag 26 mei
De eerste festivaldag deed vooral dienst als voorproefje voor het grof geschut dat de twee resterende dagen volgde. Slechts twee podia opengesteld voor het publiek, met op de Danzka CD Drome Stage acts die zich van kop tot teen wentelen in het experiment en verder de Rockdelux Stage met als trekpleister The Arcade Fire, dat onomwonden kan gezien worden als één van de heetste acts van het moment.
Voor het echter zover was, vergrepen we ons aan de complexloze punkrock van het deftig in maatpak gestoken Art Brut, dat intussen ook in de smaak viel van de Pukkelpop-organisatoren. Proefdraaien mocht het Londense combo rond de licht gestoorde Eddie Argos al even op Primavera Sound. De songs uit Bang Bang Rock ‘n’ Roll schoten er sneller vandoor dan het gemiddelde brouwsel van The Ramones, terwijl Argos vlijmscherpe teksten declameerde die nu eens aan The Streets, dan weer aan Pulp deden denken. ‘Emily Kane’ is dan wel met een ander gaan lopen, met de aandacht die Art Brut de komende tijd te beurt zal vallen, is het peperkoeken hart van Argos alvast voor onbepaalde tijd gesust. (dc)
Maxïmo Park slalomt momenteel als een wervelwind door de alternatieve hitlijsten met het weergaloze ‘Graffiti’ en ook live deinst het vijftal uit Newcastle er niet voor terug om hun territorium in een handomdraai te herschapen in een waar slagveld. Beresterk songmateriaal, strakke gitaarlijnen waar je mee naar de oorlog kunt en een zanger (Paul Smith) die met zijn gekke bekken niet zou misstaan in eender welke hilarische Britse sitcom. De som der delen leidde tot een erg gesmaakte intrede op Spaanse bodem, binnenkort mogen de Britten de vloer aanvegen met de ‘John Peel’-stage op Glastonbury en ook Chokri haalt het afweergeschut best nu al van stal. (dc)
Jesu is de nieuwe band van Justin Broadrick van Godflesh, die samen met Isis een exhaustieve Europese tournee afwerken. Hun eerste nummer, ‘Your Path to Divinity’, tevens het openingsnummer van hun titelloze debuut, kenmerkte zich door een traag ritme, een koud geluid waarin Broadricks metalverleden doorklinkt en een donkere, deprimerende sfeer. Het is niet meteen de prettigste muziek, maar wanneer naar het einde toe de melodie van de gitaar de hoogte inging, brak het nummer alsnog open. Het tweede nummer opende loodzwaar en hamerde langzaam op je in. Broadricks zang was onverstaanbaar en droeg op die manier weinig bij, hoewel ik wel snapte waar ze naartoe wilden. Dit is geen hapklare muziek maar een intense luistertrip naar duistere oorden. Op een lentefestival als Primavera kwam het concert van Jesu echter te zwaar aan en na twee nummers – goed voor een half uur – verkoos ik een zonnigere plek op te zoeken. (gc)
De muziek van Isis is voor een deel op dezelfde leest geschoeid, maar bevat meer lagen waardoor die een stuk interessanter en gevarieerder klinkt. Isis is tevens het perfecte voorbeeld van het feit dat zware muziek tevens erg subtiel kan zijn. De set bestond voornamelijk uit nummers van hun alomgeprezen laatste album Panopticon en voorganger Oceanic. ‘So Did We’ klonk fantastisch, vooral dankzij de hoge noten, en bij wijlen ontwaarden we een echo van The God Machine, eveneens niet vies van haast eindeloze, beukende ritmes. Isis wisselde deze energieke stukken af met rustige gitaarmelodieën. De melodie, die meestal werd voorgesteld tijdens een lange intro, bleef vaak op indrukwekkende wijze doorwerken in het obligate hardere gedeelte. Bijna alle nummers vertoonden een gelijkaardige structuur en de verschillen tussen de nummers werden soms erg klein. Ze duurden ook lang maar verveelden nooit omdat ze zo meeslepend zijn. Dit was echt een sterk concert, met een al even perfecte setting: links de hypermoderne architectuur van het Forum terwijl rechts de laagstaande oranje maan een prachtige gloed reflecteerde in de Middellandse Zee. Toch misschien een punt van kritiek: tijdens de melodieuze stukken klonk Aaron Turners stem nog bezwerend maar daarna verviel hij in overbodig gebrul dat net een stuk van de dreiging wegnam. Het voorlaatste, opvallend hardere nummer was duidelijk ouder werk en miste de subtiliteit die Isis’ muziek momenteel kenmerkt. Het laatste nummer viel helaas ook wat tegen: vlakkere structuur, minder opbouwend, zonder catharsis en klonk net iets te spacey, maar dat deerde de pret al lang niet meer. (gc)
Zelden bereikte onze verzamelde muziekredactie zo snel een consensus als vorig jaar bij Funeral van The Arcade Fire. De plaat schopte het in onze eindejaarslijstjes zelfs tot op de eerste plaats en de euforie was er ook na hun recente doortochten in Amsterdam en Brussel niet minder om. In Spanje daarentegen ligt Funeral pas in de winkelrekken, maar het werd snel dat duidelijk dat ze ook ginds niet in dovemansoren is gevallen. Waar de songs van de Canadezen op plaat vaak geprangd zitten tussen een veelvoud aan instrumenten, inventieve bruggetjes hier en fijne melodietjes aldaar, werden ze live blootgesteld aan ruimtelijke nuances en abstracte reliëfvormen. Chaotisch, maar niet gekunsteld, bombastisch, maar nooit gevoelloos, Swingend, maar net zo goed melancholisch. Van ‘Wake Up’ tot ‘In the Backseat’ recycleerde het wonderbaarlijke ensemble de muziekgeschiedenis met een knipoog waar zelfs Win Butler-lookalike Rik Mayall van gaat duizelen. Julius Caesars legendarische woorden indachtig had ook Spanje niks in te brengen tegen de Europese veroveringstocht van The Arcade Fire. (dc)
De podiumact van elektronisch geluidskunstenaar Tim Hecker bood een stomme aanblik: een man – Hecker dus – gekleed in een veel te grote bruine monnikspij met kap en met een soort riddermasker op stond voorovergebogen achter een laptop. Wat hij daaruit toverde, klonk echter allesbehalve stom. Zijn muziek, hoewel elektronisch geproduceerd, klonk zeer organisch en leek op te borrelen uit één of andere spleet in de aardkorst. Hier was serieus over nagedacht maar veel evolutie zat er niet in. Het had natuurlijk wel iets mysterieus en fascinerends maar zo laat op een festival konden Tim Heckers ingenieuze soundscapes niet steeds boeien. Geleidelijk verdween echter het geruis en weerklonken meer hemelse geluiden die dan op hun beurt weer werden bewerkt alvorens ze stilaan verdwenen in het niets. (gc)
Vrijdag 26 mei
Al een hele tijd voor het aanvangsuur van het concert van Antony & The Johnsons stond er een lange rij aan te schuiven om binnen te raken in het nochtans erg grote auditorium. Antony’s populariteit is ook in Spanje enorm. Eens binnen bleek de zaal al helemaal vol te zitten. Terwijl de wachtenden buiten in opstand kwamen, nam Antony, gehesen in zwart pak, plaats achter een zwarte vleugelpiano. Bijgestaan door drie Johnsons, die afwisselend bas, cello, viool en gitaar spelen, zorgde hij met ‘My Lady Story’ al meteen voor kippenvel, ondanks het warme weer. ‘Cripple and the Starfish’ klonk eigenlijk heel eenvoudig maar o zo breekbaar. Dit had natuurlijk voor een groot stuk te maken met Antony’s speciale, androgyne stem, die gelukkig slechts zelden pathetisch klinkt. In ieder nummer liet hij ons diep in zijn ziel kijken. ‘For I Am a Boy Now’ was een goed voorbeeld van zijn emotionele, erg persoonlijke en haast exhibitionistische muziek: “One day I’ll grow up and I’ll be a beautiful girl / One day I’ll grow up and I’ll be a beautiful woman, but today I am a boy”. Alles draait om hem en de donkere, instrumentale outro weerspiegelde zijn onzekerheid en identiteitscrisis van weleer. Er was ook plaats voor samenzang en dan neemt Antony de rol van passionele crooner voor zijn rekening. Hij nam deze rol wel heel erg serieus maar een act werd het nooit, al was het vaak op het randje. Het publiek was alleszins volledig mee en het applaus telkens overdonderend. Het deed gewillig wat Antony vroeg: met zijn allen fluiten, of de tweede stem verzorgen terwijl hij a capella zong. Helaas nam hier het showaspect het een beetje over van de muziek, maar hij wist me toch te overtuigen met zijn show. (gc)
Het duurde een hele tijd om vanuit het overvolle auditorium tot aan het gezelligste podium van Primavera te wandelen waar amper een handvol mensen genoot van het concert van Vetiver. Ze waren al een paar minuten bezig maar ik was net op tijd voor het mooie ‘Angels’ Share’, bekend van de zogenaamde new weird folk-compilatie Golden Apples of the Sun. Vetiver zag er fantastisch uit: vier mannen met een baard, lang haar en een veel te grote zonnebril, achteruitgezeten op een stoel. Frontman Andy Cabic leek rechtstreeks overgekomen uit de zomer van 1968 met zijn houthakkershemd, sandalen en herdershoed. Devendra Banhart droeg zelfs een gebatikt hemd. De muziek klonk even relaxed als het gevoel dat de band uitstraalt. Cabic en Banhart speelden akoestische gitaar, een elektrische gitaar zorgde voor een voller geluid, de drum bleef op de achtergrond en Allissa Anderson maakte het af met haar viool en dwarsfluit. Dit was een heerlijk feel good festivalconcert: knap gespeelde kampvuurliedjes onder een stralende zon, meer heeft een mens soms niet nodig om gelukkig te zijn. (gc)
Een even ontspannen sfeer ging er uit van het concert van Broken Social Scene, het omvangrijke gezelschap rond zanger en multi-instrumentalist Kevin Drew. Muzikanten liepen af en aan als eb en vloed en hoewel dit niet meteen bevorderlijk was voor de vaart van het concert, onderscheidden ze zich één voor één met subtiele accenten. Hierbij zong vooral zangeres Emily Haines zich in de kijker met het hypnotische ‘Anthems for a 17 Year Old Girl ‘ en het zachtaardige ‘Backyards’. Gitaren voerden doorgaans de boventoon, maar dat weerhield Broken Social Scene niet om steevast te opereren vanuit een ontegensprekelijk popgevoel. Sporadisch lichtte de band uit Toronto een tipje van het later dit jaar te verschijnen Windsurfing Nation op. De vraag of het succes van You Forgot It in People kan geëvenaard worden, bleef vooralsnog echter onbeantwoord. Temeer omdat de weids gearrangeerde composities van de Canadezen in open lucht vaak de diepgang en intimiteit van een oergezellige club misten. Desondanks, een meer dan welgekomen verpozing na de emotioneel zwaar geladen passage van Antony & The Johnsons. (dc)
Van de singer-songwriters tijdens deze lustrum-uitgave van Primavera Sound spraken Gravenhurst en Ron Sexsmith het meest tot de verbeelding. Toeval wou echter dat beiden gelijktijdig hun set afwerkten. De Brit Nick Talbot van Gravenhurst bakte er niet veel van en zijn erg korte set ging bijna volledig de mist in wegens het slechte geluid. Jammer. De Canadese singer-songwriter Ron Sexsmith had het geluk tijdens zijn concert evenmin aan zijn zijde, maar slaagde er – ondanks een gebroken snaar – toch nog in om de meubelen min of meer ongehavend uit de brand te redden. Dit was echter niet voldoende om definitief uit de schaduw van Jeff Buckley of Ryan Adams – coryfeeën waar hij vaak mee vergeleken wordt – te treden. Ook Gravenhurst woog nog iets te licht om reminiscenties aan Nick Drake hard te maken, laat staan om hem te doen vergeten. (gc/dc)
Als de organisatoren van het festival nu nog puin aan het ruimen zijn, dan hebben Iggy & The Stooges daar een niet onbelangrijk aandeel in. Zij die raaawk and roll drie decennia terug de broodnodige doses ballen gaven, hebben er in de States en Europa een hele rits reünieconcerten opzitten, maar ontsnapten in de Lage Landen vooralsnog aan het aandachtsveld. In augustus is het eindelijk zover, want dan staat het bonte gezelschap op de Lokerse Feesten en het Nandrin Festival. Primavera Sound was dus een uitstekende waardemeter en gesteld dat ‘sfeer’ het belangrijkste criterium is voor een festivalconcert, dan kaapten Iggy & The Stooges in de Catalaanse hoofdstad een bewonderenswaardig hoge quotering weg. Als een losgeslagen gek bewees Iggy Pop immers dat de jaren – hij is er inmiddels achtenvijftig – nog niet het minste greintje vat op hem hebben en het instinctieve roofdier met geen stokken te bezweren valt. Zijn theatrale pose is door de jaren heen natuurlijk hét handelsmerk geworden en ook hier keek de verstokte rocker niet op een inspanning. Enige kanttekening: dat hij zijn broek ternauwernood rond de lenden kon houden, was een pluspunt, al had hij ons zijn half ontblote achterwerk kunnen besparen. Muzikaal was het vooral een erg gedreven ritmesectie die het vuur aan de lont stak. Snarenkunstenaar Mike Watt bewees op bas nog maar eens zijn degelijkheid, terwijl ook onverzettelijke ouwe rot Scott Asheton vrij accuraat de snaren beroerde. Ook gitarist Ron Asheton voorzag zijn vehikel van de nodige stroomstoten en dan was er nog saxofonist Steve McKay die occasioneel de leemtes in de songs opvulde. Bonafide cultklassiekers als ‘Real Cool Time’, ‘Dirt’, ‘1969’ en ‘Little Doll’ kwamen ongeschonden uit de teletijdsmachine en slaagden er zelfs in om de magie van weleer met mondjesmaat te laten opwellen. Ook ‘No Fun’ zat de bandleden nog bijzonder strak om het torso, alvorens als slot voor een tweede keer met ‘I Wanna Be Your Dog’ uit te pakken. Daar situeert zich meteen het heikel punt wat The Stooges anno 2005 betreft. Dat ze hun grootste succes twee keer herhalen is één ding, maar enige research had ons inmiddels geleerd dat de band uit Detroit elk concert zowat compleet dezelfde set afwerkt. Zelfs de ostentatieve fratsen (duik in het publiek, etc …) van Iggy bleken tot op de nanoseconde getimed en kregen hierdoor alsnog iets potsierlijks. Conclusie: Afgezien van een kwalitatief erg bevredigende performance, was het jammer dat de dollartekens naar het einde toe weinig verhullend voor de ogen van de groepsleden defileerden. (dc)
Nouvelle Vague verwijst met zijn groepsnaam niet naar de gelijknamige stroming in de Franse filmgeschiedenis uit de jaren 1950 maar naar een voornamelijk Brits muziekgenre uit de eerste helft van de jaren 1980, new wave. De Franse groep – eigenlijk is het een gelegenheidsproject van twee producers, maar daar merkte je niks van op het podium – van Marc Coulin en Olivier Libaux brengt cocktailversies van new wave-klassiekers. Klinkt misschien vreemd maar het resultaat was aanstekelijk. Ze hadden dan ook erg veel succes vorig jaar met hun eerste plaat en wisten velen te bekoren met hun radiohit ‘I Just Can’t Get Enough’, origineel van Depeche Mode. Live bleef het even goed als op plaat: we hoorden luchtige, niet steeds meteen herkenbare versies van onder andere The Cure’s ‘A Forest’ en ‘This Is Not a Lovesong’ van PIL, telkens met een knipoog. De twee, in zwarte cocktailjurk uitgedoste zangeressen trokken de meeste aandacht, zowel visueel als met hun knappe stemmen, vooral dan die van alt Camille. Elk nummer werd in een andere sfeer of stijl ondergedompeld. ‘Making Plans for Nigel’ werd zo een trage ballade, ‘Human Fly’ baadde in een cabaretsfeer en in ‘Too Drunk to Fuck’ dansten de zangeressen als zatlappen. Het is en bleef natuurlijk wel een concept maar het werd zo doorgedreven dat het echt heel leuk en interessant werd. Ze wisten dan ook hun eigen stempel te drukken op iedere cover. Als afsluiter brachten ze ‘Love Will Tear Us Apart’, het eerste maar niet het laatste nummer van Joy Division dat we die avond hoorden op Primavera Sound. (gc)
American Music Club ontstond midden jaren 1980 en was tot 1994 een soort ‘Duystergroep’ avant la lettre met hun donkere, redelijk deprimerende muziek over de duistere kanten van het leven en de liefde. De grote doorbraak kwam er echter niet en de band stierf een stille dood. Ondertussen zijn we weer tien jaar verder, heeft zanger-gitarist Mark Eitzel zijn nieuwe seksuele identiteit ontdekt en is de band terug samen. Eitzel, met zijn eeuwige hoed op natuurlijk, is de spil van American Music Club: zijn knappe stem, waarmee hij serieus naar boven kan uithalen, droeg het concert. Muzikaal klonk het ook best goed maar de nummers werden toch vooral opgehangen aan Eitzels stem. We hoorden mooie versies van het ironische ‘Patriot’s Heart’, het tien jaar oude ‘Challenger’ en als afsluiter een trage, meeslepende cover van ‘Heart and Soul’ van Joy Division, Eitzels favoriete jeugdband. (gc)
Het Schotse Sons And Daughters verzilverde ook al een stek op de Pukkelpop-affiche en heeft dat in niet geringe mate te danken aan de beschermengelen van Franz Ferdinand. De stem van Adele Bethel leidde ons automatisch naar Arab Strap, terwijl de staccato riffs van Scott Paterson de songs als gewapend beton doormidden splijtten. De mandoline van Bethel waaide als een frisse wind boven een donkere wolkenhemel die opgetrokken was uit folk, punk, country en vlagen opzwepende rock en liet geen twijfel bestaan over de potentie van de groep. Check alvast hun nagelnieuwe plaat (The Repulsion Box) en ga dat zien in Hasselt! (dc)
Ook de komst van New Order ging gebukt onder een huizenhoog verwachtingspatroon. Primavera Sound luidde voor de Mancunians de start in van een uitgebreide festivaltournee die hen binnenkort ook naar Rock Werchter brengt. Neem daarbij nog de recente release van Waiting for the Siren’s Call en je kunt besluiten dat New Order alweer helemaal terug is. Nét in de maand dat de vijfentwintigste verjaardag van het overlijden van Ian Curtis overal in het lang en breed werd uitgesmeerd. Prima marketingzet dus, ook al eisten de heren Hook, Morris, Sumner en nieuwbakken gitarist Cunningham in ver vervlogen post-Joy Division-tijden al het alleenrecht op om popmuziek definitief met de dansvloer te verzoenen. De bijna-vijftigers speelden hier een opvallend gretige set die naarmate het optreden vorderde steeds mythischer proporties aannam. Maar ook de ouverture mocht er wezen; zo bewezen singles als ‘Krafty’ en ‘Jetstream’ dat ze naast uitstekend radiovoer ook gedegen materiaal zijn voor een uitgestrekte festivalsite. Peter Hook liet geen enkel moment onbenut om zijn legendarische baslijn doorheen het onderkoelde geluid te draperen en ook de synthetische supplementen zogen zich als een magneet naar je toe. Terwijl ‘Crystal’ als voorproefje de massa een voetje lichtte, raakte het hek met krakers als ‘True Faith’, ‘Regret’ en ‘Bizarre Love Triangle’ helemaal van de dam. Het deed je prompt vergeten dat een erg toonvaste Bernard Sumner qua uitstraling de vergelijking met een dode otter prima kan doorstaan. Nostalgische mijmeringen in overvloed dus en die werden helemaal op de spits gedreven toen een retestrak ‘Transmission’ werd aangeheven. Toen Sumner vervolgens de bindende woorden “this is a song for everyone” declameerde, voelde je de grond onder je voeten simultaan wegschuiven en deed het kippenvel nietsontziend zijn intrede. ‘Love Will Tear Us Apart’ kreeg de Nitsa-Apolo – voor zover dat nog nodig was – dan ook helemaal klein met een brok geschiedenis die met geen hakbijl nog uit het geheugen te wissen valt. Als bisnummer schalde tenslotte de meest onvermijdelijke en begeesterende beat van de laatste kwarteeuw uit de boxen, ‘Blue Monday’, dat in de blender gegooid werd met Kylie’s ‘Can’t Get You of My Head’, nota bene een goocheltrucje met Gentse inslag (2 Many DJ’s). Deze set stond als de Sagrada Familia, waarvan de steigers stelselmatig in het niets verdwenen en plaatsmaakten voor een hallucinant ontwerp zonder weerga. (dc)
Robin Proper-Sheppard van Sophia had er op het eerste zicht niet zo veel zin in. Misschien was hij bang dat zijn rustige muziek niet tot zijn recht zou komen op een festivalpodium. Een onterechte vrees natuurlijk, zoals hij reeds meermaals bewees. En ook nu weer want openers ‘If Only’ en ‘Swept Back’ bleven probleemloos overeind. Vanaf de gitaaruitbarsting in ‘Desert Song No. 2’ werd wel duidelijk dat dit toch een iets steviger concert zou worden dan we van Sophia gewoon zijn. ‘Every Day’ en ‘Oh My Love’ klonken erg luid dankzij een portie rockgitaren en het meegebrachte strijkerskwartet was eveneens medeverantwoordelijk voor het volle geluid. Het fenomenale ‘The River’, waarin Proper-Sheppards verleden in The God Machine weer even naar boven kwam, is al sinds 1997 de vaste afsluiter van alle concerten van Sophia. De extra lange, beukende outro was zo energiek dat het je niet onverschillig kon laten. Sinds vorig jaar volgde hierna nog steevast ‘If a Change is Gonna Come’ uit People Are Like Seasons. Geslaagd einde van een stevig rockende set. Noot: de immer stijlvolle Proper-Sheppard krijgt van mij de prijs van best geklede artiest van heel Primavera! (gc)
Hoe knap hun platen ook zijn, live wisten de mensen van Mercury Rev me niet altijd helemaal te boeien tot het einde. Een half uur leek het maximum. Misschien wegens te veel van hetzelfde, te lang uitgesponnen nummers, te theatrale podiumprésence van frontman Jonathan Donahue, te symfonisch? Klassiekers als ‘Goddess on a Highway’ en ‘The Dark Is Rising’ blijven uitschieters maar soms zou Mercury Rev het credo ‘less is more’ wat meer in het hart mogen dragen. (gc)
Psychic TV is één van de oude goden, wiens muzikale invloed nog steeds geldt, die Primavera Sound dit jaar etaleerde maar helaas leidde de exhibitionistische one man/woman freakshow van Genesis P-Orridge de aandacht af van de muziek en hield ik het niet lang vol. Het was ook geen zicht: een zanger met een vrouwenkapsel, dikke borsten én mannelijke bierbuik. (gc)
Zaterdag 27 mei
Van enige Belgische inbreng geen spoor te bekennen op Primavera Sound, al participeerden de Catalanen wel met ons eigenste Les Nuits Botanique. In navolging van de recente ‘Nuits de France’ in Brussel stond Danzka CD Drome Stage zaterdag volledig in het teken van onze zuiderburen, met electronica, pop, rock, folk en chanson als meest voorname componenten. M83 gooide vanzelfsprekend hoge ogen, Oslø Telescopic (met Dominique A) mocht als absolute revelatie naar huis en met een cd getiteld The Belgian Kick wekte ook The Married Monk onze nieuwsgierigheid. (dc)
Text Of Light opende het auditorium op dag drie. Het viertal, met Lee Ranaldo van Sonic Youth en Alan Licht als spilfiguren, bespeelt allerlei instrumenten waaronder gitaren, drums, saxofoon en een hoop electronica. Hun naam verwijst naar de film van experimenteel filmmaker Stan Brakhage, en film speelt dan ook een belangrijke rol tijdens concerten van Text Of Light. De beelden die ze begeleidden toonden polychrome, chaotische vlakken die elkaar in hoog tempo afwisselen en zijn vermoedelijk van Brakhage zelf. Hun muziek klonk eveneens experimenteel en is voor een deel geïnspireerd op de structuur van jazz: we hoorden verschillende geluidslagen waartussen de instrumenten elk op hun beurt een solomoment kregen. Enerzijds was het takkeherrie, anderzijds zat er toch meer in en de organische geluiden, de noise en het opvallende ritme deed erg aan New York denken. De muziek van Text of Light zal altijd wel avant-garde blijven en wellicht nooit het grote festivalpubliek bereiken want het vergt een intense vorm van luisteren om alle details, ritmes en geluiden te horen. Het zijn ook eerder geluidskunstenaars dan dat het een echte band is. Na een tijdje vielen wegens technische problemen de beelden weg en bleken voor velen, inclusief ondergetekende, de zetels van het auditorium ideaal voor een siësta. (gc)
Sla ons met een voorhamer op het hoofd, maar van Christina Rosenvinge hadden we voor dit event nog nooit gehoord. Dat ze in de jaren tachtig de Latijnse wereld veroverde als vrouwelijke helft van het duo Alex & Christina, nemen we dus maar voor waar aan. De nieuwe identiteit van deze half-Spaanse, half-Deense deerne dreef haar halverwege de jaren negentig naar The Big Apple, waar Rosenvinge de degens kruiste met Lee Ranaldo en ander schoon volk uit de muziekbusiness. Live putte ze vooral uit haar recentste worp Foreign Land, al geraakten we vooral van haar vocale capaciteiten onder de indruk. Etherisch, angeliek, maar bovenal charmant trof ze onze ziel midscheeps met herinneringen aan Nico, al waren ook Cat Power of Kim Gordon nooit veraf. Een aangename verrassing dus, nu nog hopen dat Rosenvinge’s songs iets steviger aan de ribben blijven kleven en de wereld ziet er weer een pak rooskleuriger uit. (dc)
De rootsrock van Steve Earle & The Dukes sprak eind vorig jaar reeds duizenden gewillige oren aan in de AB en nu mocht de flink onderschatte veteraan ook in Barcelona opdraven. Intussen heeft de bijna-vijftiger een Grammy op zak voor het puike en messcherpe The Revolution Stars … Now en vanzelfsprekend heel wat materiaal daaruit op Primavera Sound. ‘Copperhead Road’ mocht als obligate uitschieter uiteraard niet ontbreken, de Beatles-cover ‘Revolution’ veegde de vloer aan met puristen die ironie in de muziek eerder als een vloek dan als een zegen beschouwen en dan was er nog ‘Condi, Condi’, waarmee de gerehabiliteerde outlaw een lieftallig kushandje uitwierp naar Condoleezza Rice. De jaren dat drugs volop de levenswandel van Earle bepaalden, lijken definitief voorbij en ook op artistiek vlak put hij voortaan gelukkig kracht uit andere inspiratiebronnen. De gelouterde artiest is zowel in zijn platen als op een podium standvastiger dan ooit en met die wetenschap is de houdbaarheidsdatum van de geboren Texaan plots mijlenver weg. (dc)
Vic Chesnutt had zijn vrouw Tina meegebracht om te drummen en zijn nicht Liz Durrett, voor wie hij de produktie van haar soloplaat Husk verzorgde, speelt basgitaar. Een gezellig familiaal onderonsje dus en dat bepaalde voor een groot deel de gezapige, warme sfeer van het concert. Helaas stonden de bas en de drums wat te luid zodat ze vaak het rollende, voortkabbelende gitaargeluid van Chesnutt overstegen. ‘Virginia’ beloofde Chesnutt te zingen met de stem van Robert Lee, George Washington, Thomas Jefferson en nog een hele resem Amerikaanse politici, stuk voor stuk idioten volgens hem. Toch klonk zijn muziek erg Amerikaans: de tekst verwees naar zijn land, het paste in de Amerikaanse singersongwriter-traditie en om zijn accent, typisch voor het zuiden van de Verenigde Staten, kon je niet heen. Zijn trage nummers klonken allemaal heel erg sober, intens en uitgepuurd en zijn doorleefde teksten ontroerden meermaals. Chesnutt kwam regelmatig grappig uit de hoek wat het allemaal wat minder zwaar op de hand maakte. Zo kondigde hij twee verschillende nummers aan met exact dezelfde bindtekst en ‘I’m the Worst Friend’, een nieuw nummer, zat vol cynische grapjes. Het laatste nummer bracht hij solo en eigenlijk was dit het mooiste van het concert, alleen al omdat zo zijn gitaargeluid beter tot zijn recht kwam. Er volgde een verdiende staande ovatie. (gc)
Tortoise kreeg alvast herkenningsapplaus bij de eerste slagen van de drum. Ook in Spanje genieten de heren uit Chicago een uitstekende reputatie. Centraal vooraan op het podium stonden twee drumstellen opgesteld die de hoofdrol speelden in het muzikale avontuur van de pioniers van de postrock. Dan Bitney, John Herndon en John McEntire wisselden voortdurend af tussen de drums, de vibrafoon en de xylofoon. De percussie voorzag de basis van de nummers en Doug McCombs op bas en Jeff Parker op gitaar zorgden voor het typische, brede geluid van Tortoise. Vooral nummers uit hun laatste plaat, It’s All around You, passeerden de revue, samen met enkele klassiekers en een tweetal nieuwe nummers. Af en toe klonken ze erg swingend en exotisch. Tegendraadse, snelle ritmes en tempowisselingen zorgden voor de nodige spanning, maar toch kwamen ze nooit helemaal op dreef, zoals dit in het verleden soms wel het geval was. Dit was zeker geen slecht concert maar het was niet Tortoise op zijn allerbest. (gc)
Met Andy Gill als producer voor hun titelloze debuut brachten The Futureheads Gang of Four ook op zaterdag in beeld. ‘Art-punk’ mag dan stilaan een scheldnaam worden, zolang daar begeesterende acts als Franz Ferdinand, The Bravery of Maxïmo Park uit voortvloeïen hoort u ons niet klagen. The Futureheads wogen ook live nog iets te licht om het collectieve geheugen op te eisen. Energie te koop, daar niet van, maar het merendeel van hun songs bleek naderhand perfect inwisselbaar. Op die ene meestersingle (het van Kate Bush ontleende ‘Hounds of Love’) na dan. (dc)
The Wedding Present dateert uit de late jaren 1980, begin jaren 1990 toen in thuisland Engeland eerst het shoegazer-genre en daarna de Britpop hoogtij vierden. In hun muziek hoor je echo’s van beide muzikale bewegingen, toch hebben ze altijd hun eigen ding gedaan. In 1997 legde zanger-gitarist David Gedge de band even stil dus ook dit was weer een comebackconcert, naar aanleiding van Take Fountain, hun nieuwe plaat. The Wedding Present staat nog steeds voor recht toe, recht aan, vrolijke, up-tempo gitaarpop. Springerig en dansbaar maar zeker niet lichtzinnig, de strak gespeelde gitaar hield alles in het gelid. De structuur van de nummers is redelijk eenvoudig maar ze klonken zo eerlijk en recht uit het hart dat ze bleven boeien. David Gedge toverde het ene na het andere aanstekelijke popdeuntje uit zijn gitaar, van ‘Go Go Dancer’, een single uit 1992 tot ‘I’m from Further North Than You’ van dit jaar en nummers van zijn soloproject Cinerama. Een fijn, vrolijk concert van een sympathieke band. (gc)
Intussen had in het Auditorium ook Echo & The Bunnymen zijn set afgewerkt. Beetje vreemde locatie en die mening deelde ook zanger Ian McCulloch, die halfweg het concert iedereen aanmaande om recht te gaan staan en zich richting podium te begeven. De meest befaamde Liverpudlians sinds The Beatles bestaan dit jaar vijfentwintig jaar en dat wordt gevierd met de heruitgave van vijf albums, waaronder de meesterwerkjes Crocodiles en Ocean Rain. Met Siberia staat tevens een nieuw album op stapel en intussen houdt de band zich onledig met een bescheiden tournee. Die beleefde enkele weken terug in het Amerikaanse Baltimore een dieptepunt, toen McCulloch het middenin de set plots afstapte. In Barcelona hield hij zichzelf gelukkig iets korter bij de hand en dat kwam uiteraard ook de songs ten goede. Culthits als ‘The Cutter’, ‘Seven Seas’, ‘Rescue’ en ‘Nothing Lasts Forever’ bleken de tand des tijds glorieus te hebben doorstaan en dat was niet in het minst de verdienste van de breed uitwaaierende manoeuvres van guitarist Will Sergeant. ‘Lips like Sugar’ kreeg recent nog een eigentijdse injectie van een band van wereldformaat die aan elke teen van de linkervoet een werelddeel heeft hangen, maar de originele versie van de Bunnymen zelf klonk zelfs in de eenentwintigste nog opvallend fris en monter. McCulloch zelf bleef even grillig als een aalgladde paling, zijn cockney-fraseringen reikten niet verder dan de eerste rijen, maar de man triomfeerde even glorieus als zijn stadsgenoten enkele dagen eerder na hun gewonnen CL-finale. Vreemd toch dat een band als Echo & The Bunnymen het de afgelopen jaren in de Benelux niet verder schopte dan een reeks tweederangsfestivals. Wetende dat een prachtplaat als Ocean Rain zich qua klasse en maturiteit destijds staande hield naast bekendere epossen als War (U2) en Sons and Facination (Simple Minds), kun je een kwarteeuw later dan enkel maar besluiten dat het rendement van Echo & The Bunnymen ruimschoots in gebreke gebleven is bij het aanwezige talent. Het werd hier hoe dan ook een prettig weerzien met een band die dringend in ere hersteld dient te worden. Ja, ook van u daar! (dc)
Sonic Youth mag zonder twijfel worden gerekend tot één van de meest invloedrijke groepen van de laatste drie decennia en stond hier zeker op zijn plaats. Sonic Youth is in al die jaren wel steeds platen blijven maken en kwamen vorig jaar nog sterk uit de hoek met Sonic Nurse, waaruit ze het merendeel van de nummers voor deze set plukten, waaronder ‘Stones’, ‘Pattern Recognition’ en ‘Unmade Bed’. Hun muziek klonk nog steeds relevant en nog steeds ontaarden de nummers steevast in een feedbackfinale. Lee Ranaldo en vooral Thurston Moore gingen als een bezetene tekeer op hun gitaren, waar ze blijkbaar een persoonlijke relatie mee onderhielden. De rolverdeling was perfect: Kim Gordon, die vandaag de meeste zangpartijen voor haar rekening nam, bleef haar eeuwige cool bewaren, drummer Steve Shelley was de rots in de branding, en de drie gitaristen smeerden het typische Sonic Youth-geluid breeduit. De band put tijdens hun concerten ook uit hun rijke verleden en kozen deze keer voor niet zo voor de hand liggende oude nummers: ‘Catholic Block’ en ‘Mote’, gezongen door Ranaldo. Ze lieten geen geweldige indruk na en dit was niet meteen het meest spannende concert dat ik zag van de band maar de finale maakte alles goed: het fantastische ‘Expressway to Your Skull’ uit 1986, en als bisnummer het al even fantastische ‘Teenage Riot’. Ik voelde me meteen terug het meisje waarvoor een nieuwe muzikale wereld openging, in die langvervlogen jaren ‘80. (gc)
Aangewakkerd door de niet aflatende toevloed van bands die hun geluid recent entten op de eighties, opperde Gang Of Four een tijdje geleden het niet eens zo gekke idee om opnieuw zelf de gitaren in te pluggen. Hun hereniging deed goed anderhalve maand geleden al Hof Ter Lo op zijn grondvesten daveren en nu moest ook Barcelona eraan geloven. De koelkast hadden ze terug in Leeds opgeborgen, het regiment zinderende songs dat hen de legende indreef, stoften ze wél af. En hoé?! Voor technisch meesterschap hoef je bij de Bende van Vier, en specifieker gitarist Andy Gill, niet meteen aan te kloppen, maar het voltpercentage van zijn elektrische uithalen (‘(Love Like) Anthrax’, ‘Return the Gift’) was dermate opgedreven dat je er een wereldstad als dit perfect mee kon bevoorraden. Uitwasemingen van funk vielen vervolgens te noteren in ‘I Found That Essence Rare’ en naast de bevlogen ritmetandem Allen-Burnham was er natuurlijk nog zanger John King, die – de ogen wijd opengesperd – theatraler (zoals in ‘To Hell with Poverty’) over het podium schreed dan de meest bevlogen circusartiest. Het geluid werd niet altijd even accuraat door de monitoren gejaagd, maar na alle derivaten die we de afgelopen tijd voor de voeten geschoven kregen, was het een bevrijding om het wit in de ogen van de échte pioniers van de postpunk te zien. (dc)
Jaren tachtig die ook gegoten zitten om het lijf van Out Hud. Live heetten deze Newyorkers een regelrechte sensatie te zijn en dat kunnen we na hun overrompelend concert in Barcelona enkel maar beamen. Zeker nu dit project met zangeressen Molly Schnick en Phyllis Forbes enige diepgang op hun stekelige ritmes weet te borduren. Hun grooves waren geiler dan een pas aangesneden botervlootje en met het psychedelische ‘Dear Mr. Bush, There Are Over 100 Words For Shit and Only 1 For Music. Fuck You, Out Hud’ lieten ze geen spaander heel van de goed gevulde Nasti-Stage. Stomend, funky, ravissant, eclatant én komende zomer te bezichtigen op Dour. (dc)
New Order staat op 30 juni op Rock Werchter. Isis, Jesu, M83, The Wedding Present spelen allen op het Dourfestival (14 t.e.m. 17 juli), waarvoor Out Hud intussen heeft afgemeld. Op 6 augustus kunt u naar de Lokerse Feesten voor Iggy & The Stooges en Pukkelpop (18 t.e.m. 20 augustus) biedt onderdak aan The Futureheads, Maxïmo Park, Sons and Daughters, Art Brut en The Arcade Fire.
»
Bekijk het fotoverslag van Primavera Sound 2005.
http://www.kindamuzik.net/live/primaverasound/primavera-sound-2005/9842/
Meer Primaverasound op KindaMuzik: http://www.kindamuzik.net/artiest/primaverasound
Deel dit artikel: