
Onze laatste liverecensie.
Onze laatste albumrecensie.
Ons laatste interview.
Onze laatste video.
SYD BARRETT | THE MADCAP LAUGHS (Capitol, 1970)
Met The Madcap Laughs maakte Syd Barrett zijn eerste soloplaat, na in 1968 uit Pink Floyd te zijn gestapt. Op de in 1970 uitgebrachtte debuutplaat wordt hij echter nog steeds veelvuldig bijgestaan door zijn oude bandmaatjes David Gilmour en Richard Wright. The Madcap Laughs luistert weg als een even amusante als breekbare plaat, gemaakt door een evenzo breekbare geest.
Het is dan ook absoluut geen consequent werkje; het ene moment klinkt Barrett absurdistisch vrolijk en een nummer later intens droevig. In muzikaal opzicht is het werk van het ex-Pink Floyd-lid al even vervreemdend. Op The Madcap Laughs maakt Barrett een soort van psychedelische, vaak akoestische, folk. Soms lijkt het alsof hij gewoon maar speelt wat in hem opkomt en zingt hij hopeloos vals. In een ander nummer is de invloed van Gilmour en Wright weer evident aanwezig. In het prachtige ‘Golden Hair’ komt de tekst van een gedicht van James Joyce en waar ‘Love You’ tekstueel volstrekt onbegrijpelijk is, is de tekst van ‘Dark Globe’ angstig schizofreen.
De plaat is muzikaal vaak even vervreemdend als inconsequent en in tekstueel opzicht vaak volstrekt onnavolgbaar. En toch heeft deze plaat iets ontegenzeggelijk briljants in zich, waar je je vinger vaak nèt niet op kan leggen. Uiteindelijk is The Madcap Laughs een schrikbarend openhartig inkijkje in de briljante, door drugs en faam vernietigde, geest van Syd Barrett.
(tekst: Bart Breman)
LANGLEY SCHOOLS MUSIC PROJECT | INNOCENCE & DESPAIR (Bar/None, 2001)
Wat je krijgt als je vijftig schoolkinderen popklassiekers laat zingen is buiten verwachting eng en ronduit bizar. Bizar, het is het toverwoord dat elke recensie hier zo’n beetje kenmerkt. Maar wat wil je? Bizar is in de outsidercontext in de plaats van hitgevoeligheid de sleutel tot eventueel ‘succes’, al is het maar in een kleine strook aan de verre, verre buitenkant van alles wat enigszins gangbaar is.
Een eigenzinnige leraar en verstokt hippie, Hans Fengner, krijgt in 1976 het illustere idee om een vijftigtal van zijn leerlingen, in koor, popdiamantjes als ‘Good Vibrations’, ‘God Only Knows’ en ‘I Get Around’ te laten zingen. Dat lijkt een voorspelbare actie maar de muzikale omlijsting en de ruimtelijke manier waarop de zang is opgenomen maken dit project haast buitenaards. Je hebt nog nooit zo’n versie van ‘Good Vibrations’ gehoord zoals je die op dit album kunt horen. Vijftig kinderstemmen perfect in koor zingend, het overbekende origineel wordt opeens een driedimensionale ervaring die zo onwerkelijk is dat het haast een psychedelische droom wordt.
De instrumentatie die Fengner om de samenzang plaatst is minimaal en spaarzaam, het geeft deze versies een haast luguber gevoel. Het nummer dat het meest indruk maakt is Bowie’s ‘Space Oddity’. Stop-start-vocalen en gierende tremolo-gitaren creëeren een schizofreen en onwerkelijk geheel. Het veroorzaakt, of je het prettig vind of niet, kippenvel met lange weerhaken die diep in je bewustzijn prikken. Zo far out hoor je een kinderkoor nooit meer. Een typisch geval van horen is geloven en dan nog is het moeilijk te bevatten. Uniek en beangstigend tegelijk, met mate in te nemen want je bent nooit meer dezelfde na dit gehoord te hebben.
(tekst: Joris Heemskerk )
DANIEL JOHNSTON | THE EARLY RECORDINGS VOL. I (Dualtone, 2003)
Als wij het leven even beu zijn, mogen wij graag naar Daniel Johnston luisteren, zodat wij ons kunnen troosten met de wetenschap dat sommige mensen er nog veel erger aan toe zijn. Vroeger, lang voordat hij samenwerkte met Jad Fair en Mark Linkous van Sparklehorse, deelde Daniel Johnston cassettebandjes uit op straat, die had hij in de kelder van zijn ouderlijk huis in West Virginia opgenomen. Temidden van getekende helden, waaronder zijn tijdloze favorieten Captain America en Casper The Friendly Ghost, zat hij soms urenlang achter een oude piano liedjes te componeren.
Daniel had één grote wens: hij wilde The Beatles zijn. De teleurstelling was echter groot toen bleek dat hij niet kon zingen. In 1980 compileerde Daniel Johnston onder de toepasselijke titel Songs of Pain zijn eerste cassettebandje met liedjes, dat al redelijk snel gevolgd werd door een tweede verzameling liefdesleed, More Songs of Pain getiteld. Onlangs verschenen deze zevenendertig bijzondere opnamen op de compacte dubbellaar The Early Recordings, Volume 1.
Eerst horen we een ruis, waarna de ijzige pianoaanslagen en het spookachtige, trillende stemgeluid van Daniel ons de stuipen op het lijf jagen in de openingstrack ‘Grievances’. De angst maakt snel plaats voor bewondering die bij iedere beluistering groeit. In ‘You Put My Love Out the Door’ en het kille ‘My Baby Cares for the Dead’ zingt Daniel Johnston over Laurie, de enige échte liefde in zijn troubled life, die ervandoor ging met een doodgraver. Eigenlijk gaan alle songs over haar. De titel van ‘Phantom of My Own Opera’, het openingsnummer van de tweede schijf, is veelzeggend voor het minderwaardigheidscomplex van Daniel Johnston. Een betere introductie tot het werk van Johnston zult U niet gauw aantreffen tenzij natuurlijk volume twee binnenkort uitkomt.
(tekst: Maurice Dielemans)
THE SHAGGS | PHILOSOPHY OF THE WORLD (RCA, 1969)
Als Philosphy of the World een rechtschapen titel is dan leest de wereld als een jammerlijk eenvoudig botjesboek. Niks mis mee met zo’n boekje, essentieel zelfs, maar de werkelijkheid verlangt toch een iets complexere aanpak.
De drie Shaggs-zusjes en vooral hun vader leefden in een tijd waarin succes, faam en muziek net een drie-eenheid begonnen te vormen. Als een roemlustige Idols-vader met dollartekens in zijn ogen liet papa Shaggs zijn dochters de basisbeginselen van een muziekgezelschap oefenen en schiep daarmee onwetend een van de eerste echte outsiderplaten.
Philosophy of the World is een dramatische vertoning als je techniek en talent hoog in het vaandel hebt staan. Les een tot en met drie van Gitaar Spelen voor Beginners, les een tot en met drie van Bassen voor Beginners en les een tot en met drie van Drummen voor Beginners vormen een bijzonder zwakke basis om een popalbum op te bouwen. En toch weten The Shaggs te charmeren op een anarchistische, non-conformistische riot grrrl-manier. Gewoon speuluh, niks harmonie, samenspel of chemie.
Poes Foot Foot (‘My Pal Foot Foot’) krijgt een eerbetoon dat je stonede kleuters nog niet na ziet doen. De minimale gitaar, uhm, bewerking, heeft weinig van doen met kennis van het instrument. Drummen klonk nog nooit zo simpel en uit de toon maar voor wie niet houdt van gelikte poparrangementen en graag op zoek gaat naar de absolute grenzen van goede smaak dan is dit een onmisbaar, uhm, document.
(tekst: Joris Heemskerk )
JANDEK | CHAIR BESIDE A WINDOW (Corwood Industries, 1982)
Welkom in het spookhuis. Het valt niet te ontkennen dat er geesten zijn. Hun verschijning tinkelt in de zon.
Variatie doet een mens goed. Alledrie de blauwdrukken die Jandek voor zijn liederen heeft zijn op dit album aanwezig. Chair beside a Window is daardoor een plaat van uitersten, maar met een constant hoog niveau. De opener ‘Down in a Mirror’ is een ijzingwekkende serenade voor de doden. Een beklemmend mooi nummer. Het lijkt wel of er klopgeesten in rondzwerven.
De eeuwig terugkerende en typische Jandek-noiserocker ‘European Jewel’ volgt om de net opgedane angstduivels weer uit te drijven. Maar de blues laat zich niet zo gemakkelijk wegjagen want in de nummers daarna volgen tekstregels als “I ain’t gonna fool no more” en “It’s a poor boy who lost everything he ever had”. Dus u kunt wel raden hoe die ongeveer klinken. Hoewel. Waren dit min of meer berustende gitaarstukken, woede is aanwezig in ‘You Think You Know How to Score’, inclusief getergde mondharmonica. Dan volgt misschien wel het allergrootste hoogtepunt in het hele oeuvre: ‘Nancy Sings’. De titel zegt het al en het gebeurt. Een briljante combinatie van een uitstekende zangeres met zacht dwarrelende atonale klanken. Hemels. Het manische zusje van Nancy komt aan bod als we de plaat omdraaien. “You're a jerk! Go to work! You're nuts!” Hilarisch en ergens ook verwrongen lieflijk.
Het neerzetten van blauwdruk één; de berustende gitaarballade kan Jandek het beste, luister maar eens naar ‘Mostly All from You’. Het slotdrieluik lijkt de aarde te ontstijgen. Engelen, God, de Liefde en een aangename mistsluier, de zon komt toch wel weer op.
“A fragrant mist shine over you
Until the sun rises in the dawn of a new day
May a fragrant mist shine over you
Until the sun rises in the dawn of a new day”
(tekst: Ludo Maas)
CHARLES MANSON | LIE: THE LOVE & TERROR CULT (Performance, 1970)
Inderdaad, die Charles Manson ja. De man had wat hobby’s zeg. Voordat hij zijn Family om zich heen verzamelde en zijn psychopathische denkbeelden omzette in moorddadige acties was hij echter een, zeggen en schrijven, charismatische folkzanger. Bekend en zelfs geliefd in Hollywoodkringen, bij platenbonzen, producers en rocksterren. Beach Boy Dennis Wilson en ook zijn broer Brian werden herhaaldelijk uitgenodigd om te participeren in zijn Family. Beiden gingen ze niet op het aanbod in maar het had weinig gescheeld of de zonnige Beach Boys waren mede verantwoordelijk voor de talloze moorden die The Manson Family niet veel later zou begaan.
LIE: The Love & Terror Cult werd één jaar na Mansons eerste moorden uitgebracht. De plaat kan geen aardverschuiving veroorzaakt hebben, de muziek is ronduit triest, Mansons zang mist de charme die zijn aura volgens velen wel bezat. Iel en, teken aan de wand, zielloos.
(tekst: Joris Heemskerk )
THE CONET PROJECT | THE CONET PROJECT (Irdial, 1997/2004)
Muziek door buitenbeentjes is één ding, een album dat op zich, puur gebaseerd op zijn audio (muziek is het niet), ver buiten elke muzikale stroming valt is iets heel anders. En toch is het wonderbaarlijke audiodocument dat The Conet Project vormt geheel op zijn plaats in een wereld waarin vreemd en bizar de standaarden zijn.
The Conet Project is een initiatief van een aantal Britten die op deze manier een gecomprimeerd overzicht verzameld hebben van wat wij allemaal niet meekrijgen als eenvoudige burger. De politieke steekspelen die duizenden levens in de schaduw achterlieten gaan schuil achter de simpliciteit van de korte golfstations. Het geheime leven van de korte golf-radiostations oftewel het leven van een spion. In de jaren dat de Koude Oorlog de wereld in zijn greep had, en zelfs nu nog, zijn er op de korte golf talloze zogenaamde number stations te vinden. Achter een laag van ruis doemen opeens (meestal vrouwelijke) stemmen op die een lange reeks nummers opdreunen. Nummers die via een sleutel vertaald konden worden naar opdrachten van de CIA, KGB, Mossad etcetera. Een spion op lokatie wist zo wat hem te doen stond.
De nummers worden steevast door vrouwen opgenoemd. Een Zweeds station dat op ‘The Swedish Rhapsody’ is te horen maakt zelfs gebruik van een ontwapend speeldoosdeuntje en een kinderstemmetje dat tussendoor in het Duits de cijferreeksen opnoemt. The Conet Project bestaat uit vier cd’s, allemaal verkrijgbaar in één schitterende box met daarbij een booklet van tachtig bladzijden waarin haarfijn de beginselen van de nummerstations worden uitgelegd. Te bizar voor woorden, een ansgtaanjagend document uit een tijd die een dubbele bodem had.
(tekst: Joris Heemskerk )
IRWIN CHUSID | SONGS IN THE KEY OF Z: THE CURIOUS WORLD OF OUTSIDER MUSIC Boek(Cappella Books, 2000)
“Stel je een univerum voor waar traditionele muziekwetten niet gelden. Waar toonladders ver voorbij G worden verkend met elan, passie en eerlijkheid.“ “Welkom in de wereld van Outsider music,” schrijft Irwin Chusid in de inleiding van zijn boek. Chusid is muziekjournalist, muziekhistoricus, radiomaker en publiceerde in verschillende media, waaronder The New York Times. Niet de minste dus. In de heldere inleiding beschrijft hij een aantal kenmerken van Outsider Music. Hoe divers Outsiders ook zijn, ze hebben twee dingen gemeen: totale onvoorspelbaarheid en het geheel of gedeeltelijk ontbreken van zelfbewustijn ten aanzien van de aard en de impact van hun muziek. Daarom is Captain Beefheart wel, en was John Cage geen Outsider. Want Cage wist heel goed wat hij deed en betrad heel bewust andere muzikale paden.
Het boek start met het vermakelijke verhaal van The Shaggs, drie meisjes die fan waren van Herman Hermits en in de jaren zestig, niet gehinderd door enig talent of kennis, de mijlpaal Philosophy of the World maakten. Biografische informatie, grappige anekdotes en een korte historische duiding van de betekenis van de muziek lopen bij Chusid op een prettige manier door elkaar. Wat meer structuur had het boek waarschijnlijk geen kwaad gedaan. Er volgen na The Shaggs nog twintig hoofdstukken. Elk hoofdstuk is een goede introductie van de artiest. Captain Beefheart, Jandek, Syd Barrett, The Legendary Stardust Cowboy, Daniel Johnston, Tiny Tim en Eilart Pilarm zijn de meer bekende outsiders die behandeld worden. Maar hij ruimt ook bijna tien pagina’s in voor het ongelofelijke verhaal van The Cherry Sisters, drie onverstoorbare tantes uit Iowa die rond 1900 al furore maakten als een van “the worst acts in showbiz”. Een criticus schreef in 1936 over Lizzie Cherry’s stem: “Een smid met een grote vijl, zou goed geld verdienen met de bramen van haar stem af te raspen.”
Het boek lijkt soms wat onevenwichtig. Krijgt Beefheart twaalf pagina’s toebedeeld, de arme Zweedse Elvis-kloon Eilart Pilarm krijgt er maar vijf. Songs in the Key of Z bevat daarnaast twintig pagina’s extra met nog meer Outsiders. Een discografie, een bibliografie en links naar websites ontbreken niet, evenmin als een goede index.
Een prima introdcutie voor iedereen die meer wil weten over Outsider Music.
(tekst: John Min)
http://www.kindamuzik.net/features/article.shtml?id=9076
Meer op KindaMuzik: http://www.kindamuzik.net/artiest/709
Deel dit artikel: