
Onze laatste liverecensie.
Onze laatste albumrecensie.
Ons laatste interview.
Onze laatste video.
Maar het is ook muziek die gemaakt wordt met een alles overweldigende passie en oprechtheid, zonder enige pretentie. Het mag dan soms ‘slechte’ muziek zijn, gemaakt door mensen die nauwelijks weten hoe ze een instrument moeten gebruiken, het is wel gemeend en oprecht en misschien daardoor juist wel ‘goed’ te noemen.
Gekte in muziek en gekke mensen die muziek maken zijn er altijd al geweest. Pas eind vorige eeuw werd er een naam voor gevonden: Outsider Music. Deze term werd voor het eerst gebruikt door producer, radiopresentator en schrijver Irwin Chusid in 1996. Ook schreef hij er een boek over: Songs in the Key of Z: The Curious Universe of Outsider Music, dat in 2000 voor het eerst gepubliceerd werd. In de verschillende hoofdstukken van het boek beschrijft hij een aantal typische ‘outsiders’ zoals zangeres B.J. Snowden en de meidenband The Shaggs.
Maar de waarschijnlijk meest bekende outsider is de manisch-depressieve Daniel Johnston. Sinds het begin van de jaren ’80 maakt Johnston muziek, die varieert van diep treurige gitaar- of pianoliedjes tot een vrolijke ode aan zijn held Casper, het vriendelijke spookje. Johnstons muziek klinkt vaak naïef, bijna kinderlijk, maar eveneens aangrijpend en ontroerend. Als luisteraar krijg je het idee dat als Johnston niet zo werd beperkt door zijn ziekte, hij waarschijnlijk een gevierd en zeer begaafd muzikant zou zijn.
Een ander voorbeeld is de eveneens in het boek van Chusid genoemde Wild Man Fisher. Zijn echte naam is Larry Fisher en hij werd eind jaren ’60 door Frank Zappa opgemerkt. Tot dan toe was hij straatmuzikant, die voor een dubbeltje een liedje speelde en absurde performances deed. Zappa contracteerde de schizofrene Fisher en produceerde zijn debuutalbum; het wonderlijke An Evening with Wild Man Fisher. Ook zou hij meespelen bij optredens van Zappa en The Mothers Of Invention. Hij is nog in leven en schijnt ergens in de omgeving van Los Angeles te wonen. Waar precies weet niemand, Fisher zelf waarschijnlijk ook niet.
Wat deze twee mensen gemeen hebben, buiten hun passie voor muziek, is dat ze beiden een geestesziekte hebben en dat een deel van hun populariteit daar debet aan is. De vaak kinderlijke liedjes van Johnston en zijn excentrieke gedrag zijn zowel innemend en, vanuit een cynisch oogpunt gezien, vermakelijk. Maar iemand die een muzikant als Johnston ziet spelen zal snel tot de conclusie komen dat hij wel degelijk staat te kijken naar iemand die weliswaar amateuristisch te werk gaat, maar dat eveneens vol overgave doet. En wellicht is dat de kern van het ‘outsider-dom.’ Het is misschien vreemd, soms haast komisch in zijn amateurisme, maar net zo goed oorspronkelijk, vol passie en oprechtheid. En juist die gegevens maken muziek vaak zo mooi.
Hiermee is niet gezegd dat een outsider per definitie geestesziek moet zijn. Er zijn legio voorbeelden van outsiders die dat niet zijn. In de jaren ’60 produceerde Joe Meek het nummer ‘Telstar’ van de Britse band The Tornados, het eerste Britse nummer dat de hoogste positie in de Amerikaanse hitlijsten zou behalen. Meek was zo iemand die op het dunne randje tussen gek en geniaal balanceerde. Geestesziek was hij niet, wel dermate in de war dat hij in 1967 zijn hospita doodschoot en vervolgens zichzelf ombracht. Meek had geen muzikaal gehoor, was dyslectisch maar wist toch voor die tijd zeer vindingrijke opnametechnieken te gebruiken. Meek werkte thuis en als hij opnames verzorgde had hij de gewoonte om elk instrument op een andere verdieping van het huis op te nemen. Meek was paranoïde, hij dacht dat een platenmaatschappij microfoontjes in zijn huis had geplaatst om zijn technieken af te luisteren en The Beatles vond hij maar niks, “een stelletje lawaaimakers, die andermans muziek kopieërden.”
Julian Cope surfde mee op de golf van Britse bandjes die begin jaren ’80 erg succesvol waren. Met zijn band The Teardrop Explodes maakte hij in die tijd de muziekpodia onveilig met een op psychedelische rock geënt geluid. In de loop der jaren ontpopte Cope zich tot een soort van Syd Barrett (ex Pink Floyd-lid en eveneens een schoolvoorbeeld van een outsider), mede door zijn zeer frequente drugsgebruik. Inmiddels houdt Cope zich bezig met steencirkels en sjamanisme, waar hij twee boeken over heeft geschreven. Ook maakt hij nog steeds muziek.
Ook Texaan Jandek is niet geestesziek. Wat hij wel is weet niemand, want hij weigert categorisch interviews en optredens te doen. Het blijft zelfs gissen naar zijn echte naam. Jandek maakt muziek sinds 1978 en heeft dat bijna altijd in zijn eentje gedaan. In muzikaal opzicht gaat de Texaan minstens even onconventioneel te werk; hij lijkt lukraak wat noten op zijn gitaar aan te slaan, of wat te pingelen op zijn piano. Zijn muziek kent geen noten, geen melodie en geen ritmes of opbouw.
Ook Nederland kent een outsider. De Rotterdammer Harry Merry maakt al zijn muziek op een Casio-orgeltje. In zeer gebrekkig Engels zingt hij bijna kinderlijk aandoende liedjes. Hij zegt zijn inspiratie te halen uit het werk van Godfried Bomans en de muziek uit de jaren ’60 en ‘70. Ook schijnt hij van plan te zijn om een opera te maken, een roman te schrijven en te trouwen.
Wat verbindt deze artiesten? En waarom luisteren wij ernaar? Het zijn stuk voor stuk wonderlijke portretten van musici die hun bekendheid voor een groot deel te danken hebben aan hun excentrieke gedrag. Maar ook hun talent, het soms ontegenzeggelijk geniale aspect in hun waanzin en amateurisme, is er verantwoordelijk voor. Iemand als Daniel Johnston zou, zonder zijn ziekte, waarschijnlijk een zeer begaafd liedjesschrijver zijn geweest en het werk van Joe Meek was zijn tijd ver vooruit. Maar er is meer. Zowel Fisher als Johnston werden opgepikt door zeer aansprekende artiesten. Zappa zag iets in Wild Man Fisher en Kurt Cobain liep voortdurend in een Daniel Johnston t-shirt rond. Zodoende wonnen ze aan naamsbekendheid en kon er een soort van cultus rondom deze artiesten ontstaan. Het feit dat een aantal van deze outsiders kon rekenen op de bewondering van de meer ‘gewone’ artiesten, zal ongetwijfeld hebben geresulteerd in aandacht voor hun werk.
Maar uiteindelijk is het waarschijnlijk, naast het soms slechte en amateuristische werk, vooral de oprechtheid en de oorspronkelijkheid van de outsiders dat hen zo interessant maakt om naar te kijken en te luisteren.
http://www.kindamuzik.net/features/article.shtml?id=9072
Meer op KindaMuzik: http://www.kindamuzik.net/artiest/709
Deel dit artikel: