
Onze laatste liverecensie.
Onze laatste albumrecensie.
Ons laatste interview.
Onze laatste video.
Eerder dit jaar had pianist/componist Misha Mengelberg de eer zijn zeventigste verjaardag te vieren in de nieuwe concertzaal van John Zorn in New York. Een week lang speelde hij met de bekendste muzikanten uit de New Yorkse Downtown-scene, waaronder Zorn zelf. Het tekent de waardering van buitenlandse jazzmuzikanten voor hun Nederlandse collega’s, die zeker niet uit de lucht is komen vallen.
Een belangrijk kenmerk van de Nederlandse jazzscene is dat zij altijd erg open is geweest, deels uit noodzaak (de scene is klein). Hierbij vormde ze een verbindende schakel tussen de Duitse en Engelse jazzscene. Langzamerhand is daar de Amerikaanse scene (lees: Downtown New York) bijgekomen. Deze groeiende belangstelling vanuit de VS roept de vraag op hoe de Nederlandse jazz zich zo heeft kunnen ontwikkelen tot de unieke scene die zij nu is en of er zoiets bestaat als ‘typisch Nederlandse jazz’. Op die vraag hebben respectievelijk de Amerikaanse jazzcriticus Kevin Whitehead en de Nederlandse concertprogrammeur Bas Andriessen, beide op hun eigen manier, proberen antwoord te geven.
Bas Andriessen schreef het boek Tetterettet: Interviews met Nederlandse improviserende Musici (1996) en de Amerikaanse jazzcriticus Kevin Whitehead New Dutch Swing, verschenen in 1999. Laatstgenoemd boek geeft een levendige bloemlezing geeft van drie generaties jazzmuzikanten in Nederland, aan de hand van interviews, muziekkritieken en sfeerbeschrijvingen van optredens. Zijn kijk als outsider op de Nederlandse jazz biedt voor de Nederlandse lezer een frisse kijk op de jazzscene hier.
De methode die Whitehead hanteert in zijn boek is een tamelijk losse, chronologische. Zijn boek is drieën verdeeld en elk deel beschrijft een door hem onderscheiden generatie jazzmuzikanten. Hij begint eind jaren ’50, wanneer Misha Mengelberg en Han Bennink elkaar voor het eerst ontmoeten, waar een basis wordt gelegd voor een muzikaal pact dat tot de dag van vandaag duurt middels de ICP, de afkorting van Instant Composers Pool. Hierin heeft ook een aantal muzikanten van een jongere generatie onderdak gevonden (zoals Michael Moore en Ernst Reijseger). Uitvoerig beschrijft hij de samenwerking tussen de eerste versie van het ICP met Bennink, Mengelberg en Willem Breuker, het politieke klimaat van de jaren ’60, de rol van de overheid t.o.v. kunst, de opening van het BIMhuis, de opkomst van kleine, zelfvoorzienende platenlabels (zoals BVHaast), de evolutie van de jazz in het algemeen en die van de Nederlandse jazz in het bijzonder.
Whitehead wijst erop dat Nederlandse jazz een eigen accent heeft en zich na drie decennia heeft weten te ontwikkelen tot een direct te herkennen muzieksoort. Hij waardeert de Nederlanders omdat ze niet klakkeloos Amerikaanse jazzmusici imiteren maar er iets aan weten toe te voegen. Iemand als Misha Mengelberg is bijvoorbeeld ontegenzeggelijk beïnvloed door Thelonious Monk, maar een volstrekt unieke muzikant en componist. Ook wordt het muzikale Hollandse verleden gerespecteerd in plaats van verguisd: dit valt vooral waar te nemen bij jongere generaties jazzmuzikanten die zich niet afzetten tegen het verleden maar het als een dankbare inspiratiebron zien, wat een reden is dat het ICP nog steeds bestaat.
Terecht wijst hij op de wederzijdse invloed van klassiek geschoolde muzikanten op jazzmuzikanten en vice versa. Jazzmuzikanten pasten speltechnieken toe die gebruikelijk waren in de klassieke muziek, terwijl klassiek opgeleide muzikanten hun heil in de jazz zochten, die hun vooral improvisatievrijheid verschafte. Een componist als Louis Andriessen haalde zijn neus niet op voor geïmproviseerde muziek maar probeerde er zijn voordeel mee te doen middels ensembles als Hoketus en De Volharding (ook zijn compositiemethoden en instrumentatie zijn beïnvloed door niet-klassieke muziek, zoals pop). De kleinschaligheid van de Nederlandse muziekscene (voornamelijk geconcentreerd in Amsterdam) maakte dit soort muzikale kruisbestuivingen een stuk gemakkelijker te realiseren (evenals een overheidsbeleid met subsidies om nieuwe ideeën in initiatieven te ondersteunen, waaronder het Bimhuis).
Hoewel Whitehead voornamelijk ingaat op de Amsterdamse jazzscene rond het Bimhuis, ontkomt hij er niet aan zijn blik buiten Amsterdam te werpen: ook in andere steden gebeurden interessante dingen die zijn uitwerking hadden op de Amsterdamse scene. Via mensen als Peter Brötzmann en Derek Bailey, die al decennia lang samenwerken met Nederlandse jazzmusici, zijn er links te vinden tussen de verschillende jazzscenes in Europa. Tegelijkertijd oefent Amsterdam door de jaren heen een aantrekkingskracht uit op buitenlandse jazzmuzikanten, die zich een plek weten te veroveren binnen de Nederlandse jazzscene, zoals Michael Vatcher, Michael Moore en Tom Cora, die met The Ex werkte.
Als er één ding is waarin Nederland zich onderscheidt van andere landen op het gebied van jazz is het humor, die sterk gelinkt is aan absurdisme (zeker vergeleken met Duitse en Engelse humor). Als je dit combineert met een gezonde dosis vernieuwingsdrang (met respect voor het verleden!) en enthousiasme kom je uit bij jazz in Nederland. Een ander belangrijk kenmerk is het verdwijnen tussen hoge en lage kunst, door de jaren heen. De Amsterdamse jazz heeft zich altijd afgezet tegen gladde, modieuze en elitaire muziek zoals die bijvoorbeeld aan de Westkust van de Verenigde Staten werd gemaakt (waar onmiskenbaar de invloed van Hollywood in doorklinkt) en wat dichter bij huis, in Hilversum in de jaren ’50 met zijn omroeporkesten.
Al met al is het boek van Whitehead een frisse en onbevangen kijk op wat er in Nederland is opgebouwd qua jazzcultuur sinds de jaren ’50. Toch valt er wel wat af te dingen op de methode van Whitehead: zo probeert hij tevergeefs klassiek en improvisatie van elkaar te scheiden, wat hem aan het eind van het boek opbreekt. Bas Andriessen wijst juist op het vervagend onderscheid tussen compositie en improvisatie en hun beoefenaars. Ook leunt de analyse van Whitehead wel erg op ICP, terwijl het werk van Willem Breuker onterecht onderbelicht blijft. Desalniettemin is zijn boek een mooie instap voor iemand die meer wil weten van jazz in Nederland. Ter verdieping is het pionierswerk van Bas Andriessen, die 22 uitvoerige interviews met Nederlandse improviserende musici heeft uitgewerkt, onmisbaar.
Bronnen:
Kevin Whitehead, New Dutch Swing: an In-depth Examination of Amsterdam’s Vital and Distinctive Jazz Scene, Billboard Books, 1999.
Bas Andriessen, Tetterettet: Interviews met Nederlandse Improviserende Musici, Tandem Felix, 1996.
http://www.kindamuzik.net/achtergrond/709/jazz-in-nederland-een-overzicht-van-de-nederlandse-jazzscene-door-de-jaren-heen/10114/
Meer op KindaMuzik: http://www.kindamuzik.net/artiest/709
Deel dit artikel: